Geschiedenis

Het systematisch verzamelen en opslaan van zoveel mogelijk gegevens over dagvlinders is van betrekkelijk recente datum. Wie een idee wil krijgen van de historische ontwikkelingen op vlindergebied in Drenthe, is voor de periode tot 1981 grotendeels aangewezen op sporadische publicaties en ongepubliceerd materiaal dat in collecties en archieven bewaard is gebleven. De erin vervatte gegevens zijn verwerkt in de Atlas van de Nederlandse dagvlinders (Tax, 1989).

 

Het onderstaand chronologisch overzicht is het resultaat van een speurtocht naar Drentse dagvlindergegevens, vanaf de oudste bronnen tot en met recentere publicaties.

 

Oude vlinderliteratuur over Drenthe is niet alleen zeer schaars, maar ook uitermate onevenwichtig van samenstelling. Tot 1963 beperken de vlinderaars zich vrijwel volledig tot anekdotische waarnemingen van bijzondere soorten en kleurafwijkingen. De oudste vermeldingen van in Drenthe voorkomende dagvlinders zijn te vinden in de ‘Bouwstoffen voor eene fauna van Nederland’ (De Graaf, 1856; Van Swaay, 1995). Deze publicatie vermeldt vlindersoorten die in de periode 1840-1855 in de omgeving van de stad Groningen zijn gezien door De Gavere. Voor enkele soorten (kleine ijsvogelvlinder, paarse parelmoervlinder) wordt als vlieglocatie het in Drenthe gelegen ‘Onland’ aangegeven. In 1867 publiceert De Gavere zelf een uitgebreid artikel over de dagvlinders van vooral de stad Groningen en omgeving (De Gavere, 1867). Hij vermeldt daarin dat de heivlinder vooral in de provincie Drenthe algemeen voorkomt op heidevelden en noemt ook soorten als de zilveren maan, grote parelmoervlinder, moerasparelmoervlinder, de rode vuurvlinder en het gentiaanblauwtje.
In 1883 hield de Nederlandsche Entomologische Vereeniging in Assen haar zomervergadering, met op 29 juli een excursie in de omgeving van Rolde. De verwachtingen waren hoog gespannen, maar het was regenachtig weer. Het verslag beperkt zich tot het gentiaanblauwtje, ‘in verscheidene exemplaren’ (Anonymus, 1884). Aan het eind van die eeuw werd bij Schoonoord een specifieke kleurvorm (forma schmidtii) van de kleine vuurvlinder gevangen (Oudemans, 1899). In 1900 vermeldt de bekende Friese vlinderaar D. ter Haar ook enkele kleurafwijkingen van de rode vuurvlinder. Hij beschrijft zelfs een nieuwe variëteit, die hij de naam ‘Groningana’ geeft. Eerlijkheidshalve vertelt hij erbij dat de exemplaren weliswaar onder de rook van de stad Groningen zijn gevangen, maar dat de vanglocatie, door hem ‘het Onland’ genoemd, in de provincie Drenthe ligt (Ter Haar, 1900). Voor datzelfde Onland meldt hij een jaar later een reuzenexemplaar van de moerasparelmoervlinder en nogmaals de rode vuurvlinder (Ter Haar, 1901). Hij was dit rijke vlindergebied op het spoor gekomen door de publicatie van De Gavere, van wiens werk hij overigens geen hoge pet op had. Ook in het naslagwerk ‘Onze vlinders’ zijn waarnemingen van dagvlinders in Drenthe te vinden (Ter Haar, 1928, 1989). Het verslag van een vergadering van de Nederlandsche Entomologische Vereeniging (Oudemans, 1906) maakt melding van de vangst van een vrouwtje van het hooibeestje met een afwijkende tekening, in juni 1905 te Paterswolde. Daarna is het lang stil en is in de literatuur alleen een melding te vinden van een citroenvlinder op eerste kerstdag (Beijerinck, 1938).
In vlinderkringen is B.J. Lempke een begrip. Hij publiceerde tal van artikelen op vlindergebied en is auteur van de ‘Catalogus van de Nederlandse Macrolepidoptera’, die in de periode 1936-1953 in elf delen verscheen, tussen 1953 en 1970 gevolgd door een zestiental supplementen. Bovendien deed hij van 1940 tot en met 1991 jaarlijks verslag van het optreden van trekvlinders in Nederland, waarbij hij ook aandacht besteedde aan Drenthe. In 1945 verschijnt een artikeltje over het veenbesblauwtje in de omgeving van Norg (Blom, 1945). Hoewel het veenbesblauwtje in Nederland een soort is van hoogveenvegetaties, vloog de soort daar in een geheel ander milieu, namelijk droog loofbos met rode bosbes als waardplant.
In 1949 beschrijft Van Wisselingh in een kort artikeltje het voorkomen van een andere dagvlinder van hoogveenvegetaties, namelijk de veenbesparelmoervlinder, en wel bij twee veenplassen op de heide tussen Donderen en Norg (Van Wisselingh,1949). In de jaren vijftig rapporteerden leden van de Nederlandse Entomologische Vereniging in hun blad af en toe over bijzondere Drentse vlinderwaarnemingen. Zo lezen we over rupsen van het groot geaderd witje in de omgeving van Norg, veenbesparelmoervlinder en veenhooibeestje in een veentje bij Norg (Camping, 1950), over de allereerste landkaartjes in Drenthe bij Hooghalen en Wijster (Lempke, 1952). De exacte vlieglocatie van sleedoornpage ‘ergens in Noord-Drenthe’ werd vanwege de zeldzaamheid van de soort geheimgehouden (Camping, 1952).
Onder het kopje ‘Adventieven per trein’ schreef een vlinderaar dat hij in juli 1950 een apollovlinder had waargenomen, “vliegend op de heide tussen Beilen en Hoogeveen, waar o.a. geregeld een goederentrein uit Frankrijk langskomt met stro voor de strokartonfabrieken” (Vlug, 1953). Ook de gestage uitbreiding van het in die tijd erg zeldzame landkaartje in Drenthe is gedocumenteerd. In 1953 geeft Beijerinck, de oprichter van het thans gesloten Biologisch station Wijster van de Landbouwuniversiteit Wageningen, waarnemingen door voor het landgoed ‘De Klencke’ bij Oosterhesselen en ‘Stuifzand’ bij Hoogeveen (Beijerinck, 1953); een jaar later is een exemplaar gezien in Darp bij Havelte (Veen, 1954). Op 10 augustus 1958 streek in Havelte een kleine ijsvogelvlinder neer op het koffiekopje van de bekende publicist op natuur- en vogelgebied Rinke Tolman (Tolman, 1956). Het soortenlijstje in een artikel onder de veelbelovende titel ‘Bijdrage tot de kennis van de vlinderfauna van de Hondsrug’ komt, wat dagvlinders betreft, helaas niet verder dan zwartsprietdikkopje, geelsprietdikkopje, bruine vuurvlinder en oranje zandoogje (Peerdeman, 1958). Pas in 1963 verschijnt voor het eerst een publicatie over een gebied in Drenthe (Dwingeloosche heide en omgeving) met een volledige lijst van dagvlinders (Van der Made e.a., 1963). Dit goede voorbeeld wordt gevolgd in een publicatie over de entomofauna van de Schoonlooër strubben (Aukema, 1964), een rapport van Staatsbosbeheer over het Ballooërveld (De Gans, 1983) en een rapport met onder meer de tot dan toe bekende dagvlindergegevens binnen de gemeenten Roden en Norg (Hakbijl e.a., 1984). Enkele jaren later verschijnt een rapport waarin verslag wordt gedaan van een oecologisch onderzoek aan drie dagvlindersoorten van hoogveenvegetaties (veenbesblauwtje, veenbesparelmoervlinder en veenhooibeestje) in het Dwingelderveld. Hierin staan ook waarnemingen van andere dagvlinders binnen het gebied en enkele daarbuiten (Middelkoop & Veling, 1987). Ook de bosparelmoervlinder is onderwerp van meer oecologisch onderzoek (Verspui & Visser, 1988).
In 1989 verschijnt de eerder vermelde Atlas van de Nederlandse dagvlinders (Tax, 1989). Deze verdeelt het oude materiaal over de perioden ‘tot en met 1980’ en ‘1981 tot en met 1986’. De Drentse gegevens uit deze atlas zijn voor de periode 1981-1991 aangevuld en gepubliceerd in ‘Dagvlinders in Drenthe’ (Dijkstra e.a., 1992). Daarna neemt het aantal publicaties sterk toe. Ze gaan veelal over het voorkomen van dagvlinders in bepaalde gebieden, zoals het Dwingelderveld (Verspui, 1991), het Witterveld, Hijkerveld, Doldersummerveld en Drouwenerzand (De Vries, 1990, 1994, 1996, 1997), het herinrichtingsgebied Schoonebeek en Oosterse bos bij Schoonebeek (Potjewijd, 1991, 1992), het stroomdal van de Drentsche Aa (Lanjouw, 1995), het Drents-Friese Wold (Wesseling, 2000), het landgoed ‘De Klencke’ bij Oosterhesselen (Rossenaar & Geerdes, 1998), de gemeente Zuidwolde (Verburg & Hoving, 2000), het Leggelderveld (Stuyts, 2000) en het Mantingerveld (Ketelaar & Bouwman, 2002). De zorgwekkende ontwikkelingen rond bedreigde soorten leiden tot ettelijke publicaties over het gentiaanblauwtje (Scheper, 1994; Wesseling, 1999; Ketelaar, 1999) en hoogveenvlinders (Wynhoff, 1998; Wallis de Vries,1999; Hunneman & Hunneman, 2001). Ook is de herintroductie van de bosparelmoervlinder het onderwerp van enkele rapporten (Van Swaay, 1994, 1996; Zuijen & Wallis de Vries, 1998). Sinds 1990 zijn ook tal van artikelen over dagvlinders verschenen in de Nieuwsbrief van de Vlinderwerkgroep Drenthe.
De al eerder genoemde goede samenwerking tussen de provincie Drenthe en vrijwilligersgroepen die planten en dieren inventariseren, bestaat er onder meer uit dat de provincie in ruil voor de door vrijwilligers verzamelde gegevens hulp biedt bij het automatiseren en de rapportage ervan. Dit gebeurde ook met de dagvlindergegevens; er ontstond zelfs een plan de gegevens in boekvorm uit te brengen. Hiervoor was een officiëlere status vereist dan tot dan toe bestond. Op 5 december 2000 werd dan ook de ‘Stichting Vlinderwerkgroep Drenthe’ opgericht, die zich tot doel stelt ‘het organiseren en stimuleren van vlinderonderzoek voor wetenschappelijke doeleinden ten dienste van natuurbehoud en milieubeheer, met nadruk op de provincie Drenthe; het vastleggen van de resultaten van het door haar georganiseerde en gestimuleerde vlinderonderzoek in een databestand; het openbaar maken van deze resultaten in een of meer publicaties, speciaal in de vorm van een boekwerk met verspreidingskaartjes van de in Drenthe voorkomende vlinders’. Het dagelijks bestuur van de Vlinderwerkgroep Drenthe bestaat anno 2003 uit Willeke Ketelaar (voorzitter), Jelle de Vries (secretaris) en Ate Dijkstra (penningmeester). De overige leden van het bestuur zijn Hindrik Lanjouw, Pauline Arends en Roelof Blaauw.